The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage

Swami Sivananda

Uit licht van Sivanada : Mei 2007, Vol. 487

Inleiding        
In de tijd dat Boeddha werd geboren (zijn geboortedag valt in 2007 op woensdag 2 mei) was religie vergeten in India. De hoogstaande leringen van de Vedas waren op de achtergrond verdwenen. Er was nog alleen priesterpolitiek. Oneerlijke priesters dreven handel in religie. Ze bedrogen de mensen op alle mogelijke manieren en vergaarden voor zichzelf grote rijkdommen. Zelf waren ze alles behalve religieus. In de naam van religie volgden de mensen in de voetstappen van wrede priesters en voerden betekenisloze rituelen uit. Ze doodden voor hun offers onschuldige redeloze dieren. Het land had dringend nood aan een hervormer van Boeddha's type. In zo'n kritische periode waarin er alom wreedheid, degeneratie en onrechtvaardigheid waren, werd de hervormer Boeddha geboren om de priesterpolitiek een halt toe te roepen en de dierenoffers te stoppen, om de mensen te verlossen en de boodschap van gelijkheid, eenheid en kosmische liefde te verspreiden.

Geboorte      
Boeddha's vader was Soeddhodana, koning van de Saakhyas. Boeddha's moeder werd Maayaa genoemd. Boeddha werd geboren in 560 voor Christus. Hij werd tachtig jaar. Zijn geboorteplaats was een bos nabij de kleine stad Kapilavastoe, in de Himalayas in Nepal. Kapilavastoe lag aan de Rohinie, 50 km noordoost van de stad Vaaranaasie (Benares). Toen de tijd van zijn geboorte naderde, bereidden de goden zelf de weg voor hem met hemelse voortekens. Bloemen bloeiden en er viel een zachte regen al was het niet het seizoen daarvoor. Men hoorde hemelse muziek en heerlijke geuren vulden de lucht. Het lichaam van het kind vertoonde de tweeëndertig voorspoedige merktekens, die wezen op zijn toekomstige grootheid, naast bijkomstige merktekens in grote aantallen. Maayaa stierf zeven dagen na de geboorte van haar zoon. Het kind werd opgevoed door Maayaa's zuster.

De voorspelling van de astroloog
De astroloog voorspelde dat het kind ofwel een universeel monarch zou worden of dat het zijn huis en have zou verlaten om het gewaad van de monnik aan te trekken en een Boeddha te worden, een volmaakt verlichte ziel, voor de verlossing van de mensheid. De koning vroeg: "Wat zal mijn zoon zien dat hem ertoe zal aanzetten de wereld te verzaken?" "Vier tekens", antwoordde de astroloog. "Welke vier tekens?" vroeg de koning. "Een kreupele oude man, een zieke, een dode en een monnik zullen de prins de wereld doen verzaken", antwoordde de astroloog.

Soeddhodana's voorzorg  
Uit vrees zijn geliefde zoon te verliezen deed Soeddhodana zijn uiterste best om hem te doen houden van wereldse dingen. Hij omringde hem met alle mogelijke luxe en genot om hem te binden aan de genoegens van de zinnen en om hem ervan te weerhouden een gelofte van eenzaamheid en armoede af te leggen. Hij huwelijkte hem uit en installeerde hem in een ommuurd paleis met prachtige tuinen, fonteinen, muziek, dans enz. Talloze mooie meisjes omringden Siddhaartha om hem opgewekt en gelukkig te houden. De koning wilde hem vooral behoeden voor de vier tekens, die hem het leven van een asceet zouden doen aannemen. De koning zei: "Laat voortaan dergelijke personen niet in de nabijheid van mijn zoon komen. Mijn zoon mag geen Boeddha worden. Wat ik wens te zien is dat mijn zoon almachtig heerst over de vier grote continenten en de tweeduizend omringende eilanden en dat hij door de hemelen gaat omgeven door een gevolg van zesendertig maal vijfduizend meter in omvang." Hij plaatste wachters in alle richtingen, opdat geen enkele van de vier soorten mensen in het gezichtsveld van de prins zouden komen.

Verzaking      
Boeddha's geboortenaam was Siddhaartha. Dit betekent: iemand die zijn doel heeft bereikt. Gautama was zijn familienaam. Siddhaartha is over de hele wereld bekend als Boeddha, de Verlichte. Hij stond ook bekend als Saakhya Moeni, asceet van de Saakhya-clan.

Siddhaartha bracht zijn jeugd door in Kapilavastoe en omgeving. Hij trouwde op zijn zestiende. Zijn vrouw heette Yashodaraa. Siddhaartha had een zoon, Rahoela. Op zijn negenentwintigste verzaakte Siddhaartha Gautama plots zijn thuis om zich volledig te wijden aan een spirituele zoektocht en Yogapraktijken. Een louter toeval bracht hem op het pad van de verzaking. Op zekere dag slaagde hij er toch in buiten de muren van het paleis te gaan. Hij trok door de stad samen met zijn dienaar Channa om te zien hoe het volk het stelde. Hij zag een kreupele oude man, een zieke, een lijk en een monnik en dit deed hem de wereld verzaken. Hij voelde dat ook hij ten prooi kon vallen aan ouderdom, ziekte en dood. En ook trof hem de sereniteit en de dynamische persoonlijkheid van de monnik. "Laat ik voorbij het lijden van samsaara (werelds leven) gaan door deze wereld van lijden en zorgen te verzaken. Dit wereldse leven met al zijn luxe en comfort is volstrekt waardeloos. Ook ik ben onderhevig aan vergankelijkheid en niet vrij van het gevolg van ouderdom en dood. Werelds geluk is vergankelijk."

Gautama verliet voor altijd zijn thuis, luxe, heerschappij, macht, vader, vrouw en zijn enig kind. Hij schoor zijn hoofd kaal en trok een geel gewaad aan. Hij begaf zich naar Raajagriha, de hoofdstad van het koninkrijk Magadha. Er waren vele grotten in de naburige bergen. Er leefden vele asceten in deze grotten. Siddhaartha nam Alamo Kalamo, een kluizenaar, tot zijn eerste leraar. Hij was evenwel niet tevreden over dezes onderrichtingen. Hij verliet hem en zocht de hulp van een andere kluizenaar Oeddako Rampoeto genaamd. Tenslotte besloot hij Yogaoefeningen te doen. Hij beoefende een gestrenge tapas (versterving) en praanaayaama (ademoefeningen) gedurende zes jaar. Hij was vastbesloten de hoogste vrede te verwerven door zelfkastijding. Hij at bijna niets. Maar hij voelde geen vooruitgang. Hij werd graatmager en heel zwak. Op dat ogenblik kwamen enkele danseressen voorbij die vrolijk zongen op de tonen van hun sitar. Boeddha hoorde hun lied en werd er echt door geholpen. Het lied dat de meisjes zongen had geen diepe betekenis voor hen, maar voor Boeddha bevatte het een boodschap met een diepe spirituele inhoud. Het was een spirituele opkikker die hem uit zijn wanhoop haalde en hem vervulde met kracht en moed. Het lied luidde:

Is de sitar gestemd, vlot gaat de dans.         
Stem ons de sitar hoog noch laag     
en weg zullen we dansen met het hart van de man.  
Te strak gespannen breekt de snaar en de muziek sterft.   
De slappe snaar is stom en de muziek sterft.          
Stem ons de sitar hoog noch laag
.

Boeddha begreep dat hij niet mocht vervallen in uitersten, dat hij het lichaam niet mocht folteren door het uit te hongeren en dat hij het gouden midden moest volgen of de gelukkige middenweg door overdrijving te vermijden. Hij begon met mate te eten. Hij gaf zijn extreme methode op en volgde de middenweg.

Verlichting    
Boeddha was in een neerslachtige bui, omdat zijn Yogabeoefening zonder succes bleef. Hij wist niet waar te gaan en wat te doen. Een dorpsmeisje merkte zijn zorgelijk gezicht op. Ze sprak hem beleefd toe: "Edele heer, mag ik u wat voedsel brengen? Ge ziet er zeer hongerig uit." Gautama keek haar aan en antwoordde: "Hoe heet ge, zuster?" Het meisje antwoordde: "Edele heer, mijn naam is Soejaataa." Gautama zei: "Soejaataa, ik ben zeer hongerig. Kunt ge echt mijn honger stillen?" De onschuldige Soejaataa begreep Gautama niet. Gautama was spiritueel hongerig. Soejaataa zette Boeddha een maaltijd voor en zette hem ertoe aan te eten. Gautama glimlachte en zei: "Lieve Soejaataa, ik ben geraakt door de goedheid van uw hart. Maar kan dit voedsel mijn honger stillen?" Soejaataa antwoordde: "Ja, heer, eet nu maar." Gautama begon te eten in de schaduw van een grote boom, die sedertdien de grote Bo-boom wordt genoemd, de boom van de wijsheid. Gautama zat in een meditatieve stemming onder de boom van de vroege morgen tot de late avond met een vurige vastberadenheid en een onwrikbaar voornemen: "Laat ik sterven. Laat dit lichaam vergaan. Laat mijn vlees opdrogen. Ik zal niet opstaan uit deze houding voor de volledige verlichting werd bereikt." Hij ging in diepe meditatie. 's Nachts ging hij in een diepe samaadhi onder de heilige Bo-boom (piepalboom of ficus religiosa). Hij werd door Maayaa bekoord op velerlei manieren, maar hij stond pal. Hij gaf niet toe aan Maayaa's bekoringen en verleidingen. Hij kwam tevoorschijn als overwinnaar met een volledige verlichting. Hij bereikte het nirvaana. Zijn gezicht straalde met goddelijke luister en pracht. Hij stond op van zijn zitplaats en danste in goddelijk extase gedurende zeven dagen en nachten rond de Bo-boom. Daarna keerde hij terug naar het normale bewustzijnsniveau. Zijn hart liep over van een diep mededogen. Hij wilde wat hij had delen met de rest van de wereld. Hij reisde door heel India en predikte zijn leer en evangelie. Hij werd een verlosser en bevrijder.

Boeddha sprak over de ervaringen van zijn samaadhi: "Aldus zag ik mijn geest bevrijd van de bezoedeling van aards bestaan, verlost van de bezoedeling van zingenot, verlost van de bezoedeling van dwaling, verlost van de bezoedeling van onwetendheid."

In de staat van verlossing verwierf hij de volgende kennis: "Ik ben verlost. Wedergeboorte is voorbij. De religieuze tocht is ten einde. Wat moest worden gedaan, is gedaan. Het huidige bestaan is niet meer nodig. Ik overwon alle vijanden. Ik ben alwijs. Ik ben vrij van smet op alle gebied. Ik heb alles achter mij gelaten en vond verlossing door de vernietiging van begeerte. Nu ik zelf wijsheid verwierf wie zal ik meester noemen? Ik heb geen leraar. Niemand is aan mij gelijk. Ik ben de heilige in deze wereld. Ik ben de grootste leraar. Ik alleen ben de alwetende. Ik vond koelte door het uitdoven van alle passie en ik verwierf het nirvaana. Om het koninkrijk van de wet (Dharma) te vestigen ga ik naar de stad Vaaranaasie (Benares). Ik zal in de duisternis van deze wereld de trom van de onsterfelijkheid roeren."

Boeddha ging daarna naar Vaaranaasie. Hij ging op zekere avond het hertenpark binnen. Hij hield daar een prediking over zijn leer. Hij sprak voor allen zonder uitzondering, voor mannen en vrouwen, voor hoog en laag, voor ongeletterden en geleerden, voor allen gelijk. Zijn eerste discipelen waren gewone mensen en twee van de allereersten waren vrouwen. De eerste bekeerling was een rijke jongeman, Yasa genaamd. De volgende waren Yasa's vader, moeder en vrouw. Dit waren zijn lekendiscipelen. Hij bekeerde hen door zijn machtige argumenten en overredingskracht. Kondanno, een oude kluizenaar, werd als eerste bekeerd.

Boeddha argumenteerde en debatteerde met zijn oude discipelen, die hem hadden verlaten toen hij in het Oeroevila-woud verbleef. De anderen aanvaardden kort daarop de leer van de Boeddha. Boeddha maakte zestig discipelen en stuurde hen in verschillende richtingen om zijn leer te verkondigen. Hij hield zijn discipelen voor dat ze zich niet moesten verdiepen in de oorsprong van de wereld, in het bestaan en in de aard van God. Hij zei hen dat dergelijke onderzoeken schier nutteloos zijn en dat ze slechts de geest verstrooien.

Het verspreiden van de leer         
Het aantal van Boeddha's volgelingen nam geleidelijk toe. Edelen, brahmanen en vele rijken werden zijn leerlingen. Boeddha schonk geen aandacht aan kaste. Armen en kastelozen werden toegelaten tot zijn orde. Degenen die wensten volledige leden van zijn orde te worden werden verplicht monnik te worden en de strikte gedragsregels te volgen. Boeddha had ook vele lekendiscipelen. Deze lekendiscipelen moesten voorzien in de noden van de monniken.

In het Oeroevila-woud waren drie broers, alle drie beroemde monniken en filosofen. Ze hadden vele geleerde discipelen. Ze werden geëerd door koningen en potentaten. De Boeddha ging naar het Oeroevila-woud en verbleef bij deze drie monniken. Hij bekeerde hen, wat heel wat sensatie teweegbracht in het gehele land.

Boeddha ging met zijn discipelen op weg naar Raajagriha, de hoofdstad van Maghada. Bimbisara, de koning, die werd bijgestaan door 120000 brahmanen en familievaders, verwelkomde de Boeddha en zijn volgelingen met grote devotie. Hij aanhoorde het sermoen van Boeddha en werd een van zijn discipelen. 110000 van de brahmanen en familievaders werden volledige leden van Boeddha's orde en de overblijvende 10000 werden lekendiscipelen. Boeddha's volgelingen werden behandeld met afkeer toen ze hun dagelijks voedsel gingen bedelen. Bimbisara schonk Boeddha Veloevanam, een bamboebos, een van de koninklijke lusttuinen nabij zijn hoofdstad. Boeddha verbleef er gedurende vele regenseizoenen samen met zijn volgelingen.

Iedere boeddhistische monnik legt de gelofte af geen levende wezens meer te doden zodra hij het gele gewaad heeft aangetrokken. Daarom wordt het verblijven op één plaats tijdens het regenseizoen een noodzakelijkheid. Zelfs nu nog verblijven de paramahamsa sannyaasins (hoogste orde van verzakers) van Shankara's orde op één plaats gedurende de vier maanden van het regenseizoen (chatoermaas). Het is onmogelijk rond te trekken tijdens het regenseizoen zonder ontelbare kleine insecten te doden, die tot ontwikkeling komen door de gecombineerde invloed van vochtigheid en hitte.

Boeddha kreeg van zijn vader een uitnodiging om zijn geboorteplaats te bezoeken. Zijn vader wilde hem nog eens zien alvorens te sterven. Boeddha aanvaardde de uitnodiging met vreugde en begaf zich op weg naar Kapilavastoe. Hij verbleef in een woud even buiten de stad. Zijn vader en familieleden kwamen hem bezoeken. Maar de asceet Gautama beviel hen niet. Ze verlieten de plaats al na korte tijd. Ze troffen geen maatregelen om te voorzien in het dagelijks brood van Boeddha en zijn discipelen. Ze waren immers wereldse mensen. Boeddha ging naar de stad en bedelde zijn voedsel van deur tot deur. Dit nieuws bereikte zijn vader. Hij probeerde Gautama te doen ophouden met bedelen. Maar Gautama zei: "O koning, ik ben een bedelmonnik. Het is mijn plicht mijn voedsel te bedelen van deur tot deur. Dit is de plicht van de Orde. Waarom wilt ge me dit beletten? Het voedsel dat wordt verkregen van aalmoezen is zuiver." Zijn vader schonk geen aandacht aan de woorden van zijn zoon. Hij rukte de nap uit Boeddha's handen en nam Gautama mee naar het paleis. Allen kwamen Boeddha hun respect betuigen, maar zijn vrouw Yashodaraa kwam niet. Ze zei: "Hij zal zelf bij mij komen als ik enige waarde heb in zijn ogen." Ze was een heel kuise dame begiftigd met viveka (onderscheidingsvermogen), vairaagya (onthechting) en andere deugden. De dag dat ze haar man verloor, had ze alle luxe opgegeven. Ze nuttigde slechts heel eenvoudig voedsel en sliep op een mat. Ze leidde een leven van gestrenge verstervingen. Gautama hoorde dit alles en was heel ontroerd. Hij ging haar opzoeken. Ze wierp zich ter aarde aan zijn voeten, die ze vastgreep terwijl ze in tranen uitbarstte. Boeddha stichtte een orde van vrouwelijke asceten. Ya-shodaraa werd de eerste boeddhistische non.

Yashodaraa wees haar zoon door het raam de voorbijgaande Boeddha aan en zei: "O Rahoela, die monnik is uw vader. Ga bij hem en vraag hem om uw geboorterecht. Zeg hem kortaf: 'Ik ben uw zoon. Geef me mijn erfenis.'" Rahoela ging onmiddellijk bij de Boeddha en zei: "Lieve vader, geef me mijn erfenis." Boeddha was juist aan het eten. Hij gaf geen antwoord. De jongen vroeg herhaaldelijk naar zijn erfenis. Boeddha begaf zich naar het woud. De jongen volgde hem in stilte. Boeddha zei tegen een van zijn discipelen: "Ik geef deze knaap het kostbare spirituele juweel dat ik verwierf onder de Bo-boom. Ik maak hem de erfgenaam van die rijkdom." Rahoela werd ingewijd in de monnikenorde. Toen Boeddha's vader dit hoorde was hij diep bedroefd. Nadat hij zijn zoon verloor, verloor hij nu ook zijn kleinzoon.

Het einde      
Boeddha ging naar Sraavastie, de hoofdstad van het koninkrijk Kosala. Hier schonk een rijke zakenman hem een uitgebreid en prachtig woud. Boeddha verbleef er gedurende verscheidene regenseizoenen en hield er vele machtige sermoenen. Boeddha predikte zijn leer gedurende vijfenveertig jaar reizend van plaats naar plaats.

Boeddha stierf aan een voedselvergiftiging. Hij werd ziek door het eten van soekara-maddavam, voor hem bereid door een dame. De commentator vertaalt het woord als "varkensvlees". Soebhadara Bhikshoe denkt dat het iets is waarop wilde varkens verzot zijn en beweert dat het op een truffel lijkt. Dr. Hoey zegt dat het geen varkensvlees is, maar soekarakanda of varkenswortel, een knolgewas dat vooral in het oerwoud wordt gevonden en dat hindoes heel graag eten. Het is eenphalahar (vrucht), die wordt gegeten op vastendagen.

Boeddha zei tegen Aananda: "Ga, Aananda, maak mij een rustplaats tussen twee saal-bomen met het hoofdeinde naar het noorden gericht. Ik ben uitgeput en wil gaan liggen." Een wonderbaar tafereel volgde. De twee saal-bomen begonnen te bloeien al was het niet het seizoen daarvoor. De bloemen vielen uit eerbied op het lichaam van Boeddha. Goddelijke koraalboombloemen en goddelijk sandelhoutpoeder vielen uit eerbied op Boeddha's lichaam.

Boeddha zei: "Komt allen, beminde monniken, ik neem afscheid van u. Wat samengesteld is, moet ook uiteenvallen. Zoekt voorspoed door toewijding en werkt uw verlossing uit."

Boeddha's leer        
Boeddha predikte: "We moeten de oorzaak van het lijden vinden en ook de manier om eraan te ontsnappen. De begeerte naar zingenot en het zich vastklampen aan het wereldse leven is de oorzaak van het lijden. Als we de begeerte kunnen overwinnen zullen alle zorgen en pijn tot een einde komen. We zullen het nirvaana of de eeuwige vrede vinden. Degene die het edele achtvoudige pad volgt, namelijk de juiste opinie, het juiste besluit, de juiste spraak, het juiste gedrag, de juiste bezigheid, de juiste inspanning, het juiste denken en de juiste concentratie zal vrij zijn van zorgen. Dit waarlijk, O bedelmonniken, is de middenweg die de Tathagata volledig doorgrond heeft, die inzicht geeft, die kennis voortbrengt, die leidt tot kalmte of sereniteit, tot bovennatuurlijke kennis, tot volmaakt Boeddhaschap, tot nirvaana. Dit waarlijk, O bedelmonniken, is de edele waarheid betreffende het lijden. Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, hebben wat men niet begeert is lijden, niet hebben wat men begeert is lijden. In het kort de vijf elementen van gehechtheid aan het bestaan zijn pijnlijk. De vijf elementen van gehechtheid aan het werelds bestaan zijn vorm, gewaarwording, waarneming, samenstellende delen en bewustzijn. Dit nogmaals is waarlijk, O bedelmonniken, de oorzaak van het lijden. Het is dat wat leidt tot vernieuwd bestaan, verbonden met plezier en passie, hier en daar vreugde vindend, namelijk dorst naar zingenot en de instinctieve drang naar bestaan. Dit nogmaals, O bedelmonniken, is de edele waarheid betreffende het stoppen van het lijden, dat het volledig ophouden en de afwezigheid van begeerte is voor dat allereerste ding, zijn verzaking, overgave, verlossing ervan en niet gehecht zijn eraan. Dit nogmaals, O bedelmonniken, is de edele waarheid over de weg die leidt naar het stoppen van het lijden. Dit is waarlijk het Edele Achtvoudige Pad."