The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage


Uit de Bhaagavata Poeraana

Volgende tekst is de vertaling van hoofdstuk XII van Boek XI van de Bhaagavata Poeraana. In Boek XI geeft Krishna, voor hij de wereld verlaat, onderricht aan zijn discipel Oeddhava. Wat tussen haakjes in cursief staat is ofwel de vertaling van termen uit de hindoefilosofie, die op de keper beschouwd niet echt vertaalbaar zijn, of het zijn Sanskrittermen, die vooral voor kenners interessant zijn, of het is mijn eigen verklarende commentaar.

Ik heb deze vertaling gemaakt op verzoek van een lezer. Het is een tekst waarin bhaktiof devotie en satsang of de omgang met wijzen worden opgehemeld. Het is een enigszins moeilijke, maar toch ook heel inspirerende tekst en ik kan hem vanuit mijn eigen ervaring volledig onderschrijven.

 

Narayana

HET EFFECT VAN OMGANG MET DE WIJZEN EN DE BOOM VAN SAMSAARA

De Heer sprak:

1-2. Yoga, de Saankhyafilosofie, het pad van dharma (plicht), studie en het reciteren van de Vedas, versterving, verzaking, riten, werken van openbaar nut, liefdadigheid, geloften, offers, geheime mantras, het baden in bedevaartsplaatsen en het volgen van morele regels, bijzondere zowel als universele, geen enkele van al deze binden Me zozeer in het hart van de toegewijde als de omgang met wijzen (satsanga), die alle gehechtheid uitroeit.

3-6. Het was door hun omgang met wijzen, O Zondeloze, dat velen die rusteloos of inert van aard waren (raajasika, taamasika), zoals Vritra, Prahlaada en anderen, Me bereikten in verschillende tijden (yoegas): daityas en raakshasas, dieren en vogels, gandharvas, apsaraas, naagas, siddhas, chaanaras, goehyakas en vidyaadharas en onder mensen vaishyas, zoals de handelaar Toelaadhaara, en shoedras en kastelozen, zoals de jager Dharmavyaadha. Vrishaparvaa, Bali, Baana, Maya, Vibhishana, Soegriva, Hanoemaan, de beer Jaamboevaan, de olifant Gajendra, de gier Jataayoe, vrouwen zoals de gebochelde Koebjaa, de gopies van Vraja, de echtgenotes van de in offers verdiepte brahmanen en vele anderen.

7. Ze hadden niet de Vedas bestudeerd, noch de grote wijzen gediend, noch geloftes afgelegd, noch verstervingen gedaan, toch bereikten ze Mij door hun omgang met Mij (in de vorm van de wijzen).

8-9. De gopies (herderinnen) en zelfs koeien, bomen, beesten, slangen en anderen die traag van begrip waren, werden door liefde alleen gemakkelijk vervolmaakt en bereikten Me, die zelfs niet wordt bereikt door degenen die Me zoeken door Yoga, Saankhya, liefdadigheid, geloften, versterving, riten, offers, het verklaren van de gewijde Schriften en de studie van de Vedas of verzaking.

10. Toen Ik samen met Balaraama door Akroera naar Mathoera werd gebracht, waren de gopies, wier hart sterk gehecht was aan Mij door intense liefde, diep bedroefd door hun beroofd zijn van Mij en zagen niets anders dat hen spirituele zaligheid kon geven.

11. Diezelfde nachten in Vrindaavana, Mijn vriend, die met Mij in hun midden in een oogwenk voorbijgingen, werden voor hen nu als eeuwen.

12. Met hun hart aan Mij gehecht met uitsluitend liefde en devotie voor Mij, waren ze zich niet bewust van dit (hun eigen persoon, hun gezin en familie), noch van dat (dingen ver en nabij), zoals wijzen die in de staat van verlichting naam noch vorm kennen en zoals rivieren die versmelten met het water van de oceaan.

13. Onwetend betreffende Mijn wezenlijke, hogere natuur begeerden de gopavrouwen Mij als hun minnaar; toch bereikten ze Mij, het hoogste Brahman (Absolute), met honderden en duizenden door de kracht van heilige omgang.

14-15. Daarom, O Oeddhava, geboden en verboden, de paden van genot en verzaking, dingen geleerd en nog te leren opgevend, neem met heel je hart een toevlucht in Mij alleen, het Zelf van alle wezens. Door Mij beschermd, zul je van nergens angst kennen (zul je worden verlost).

Oeddhava sprak:

16. O Heer van de Meesters van Yoga, al luisterde ik aandachtig naar Uw woorden, de twijfels in mijn geest zijn niet verdreven en mijn geest is verward.

De Heer sprak:

17. Dit is die waarneembare Hoogste Heer, die aan allen leven geeft en die zich manifesteert in de centra (chakras) in de wervelkolom, zoals de moelaadhaarachakra (ondereind wervelkolom) en andere. Met de praana (levenskracht) gekoppeld aan de subtielste vorm van de klank (naada) gaat hij de grot binnen (moelaadhaarachakra). Hij neemt dan de subtiele mentale vorm van de spraak aan in de manipoerachakra (ter hoogte van de navel) en vishoeddhachakra(ter hoogte van de keel). Hij openbaart zich in de mond in de vorm van korte en lange klinkers, accenten (hoog of laag) enz. en medeklinkers (zoals keelklanken, verhemelteklanken, tandklanken, lipklanken enz.). Dit is de grofste vorm van de spraak.

18. Zoals vuur latent aanwezig is in hout en zich door krachtig wrijven met hulp van de wind manifesteert als een vonk en daarna als laaiend vuur als het wordt aangewakkerd door geklaarde boter, zo is de spraak Mijn manifestatie.

19. Zo zijn ook manuele activiteit, beweging, het ledigen van de ingewanden, urineren, de functies van de kennisorganen (de zintuigen) en de actieorganen (zich voortbewegen, grijpen, de spraak, de voortplanting en de uitscheiding), de geest, het intellect, vereenzelviging, de kosmische energie en de veranderingen van sattva, rajas en tamas (de drie eigenschappen van de natuur) Mijn manifestatie.

20. Dit leven gevende Beginsel was één en niet-twee (in het begin). In de loop van tijd ontwikkelde Het krachten (zoals de zintuigen). Het is de verblijfplaats van de drie goenas (de eigenschappen van de natuur). Het is de oorzaak van de kosmische lotus (het heelal). Het schijnt verscheidene vormen aan te nemen (veroorzaakt door Maayaa, de Illusie), zoals een zaad op het veld dat verscheidene vormen aanneemt (vertakkingen, bladeren, bloemen enz.).

21. Het is dat waarop, als zijn schering en inslag, het hele heelal rust, zoals een doek op het netwerk van geweven draden. Deze boom van samsaara (het zintuiglijke heelal) is oud, activiteit is zijn aard en hij brengt bloemen en vruchten voort (werk en zijn resultaten; ervaring en verlossing).

22. Hij (de boom van samsaara) heeft twee zaden (deugd en ondeugd), honderd wortels (ontelbare begeerten), drie stammen (sattva, rajas en tamas: de drie eigenschappen van de natuur), vijf hoofdtakken (de vijf elementen: ether, lucht, vuur, water en aarde), elf kleinere takken (de vijf zintuigen, de vijf actieorganen en de geest), hij scheidt vijf sappen af (de vijf zintuiglijke voorwerpen), er zitten twee vogels op (het individuele Zelf en het hogere Zelf), hij heeft drie lagen schors (de drie doshas of de lichaamsvochten wind, gal en slijm), hij draagt twee vruchten (geluk en lijden) en reikt tot de zon (en niet verder, want Yogis laten hem achter zich).

23. Gieren (degenen die worden gedreven door hebzucht) die de dorpen bezoeken (die zich overgeven aan zintuiglijkheid) eten de ene vrucht (lijden), de zwanen (degenen die een spiritueel leven leiden) eten de andere vrucht (zaligheid). Hij die met de hulp van zijn goeroes de Ene Heer kent, die door de kracht van Zijn Maayaa (Illusie) vele vormen aanneemt, begrijpt de Vedas.

24. Hak aldus, rustig en waakzaam, deze boom van sam-saara (jievaashaya: het subtiele lichaam waarin alle ervaringen worden bewaard die de oorzaak zijn van de kringloop van geboorte en dood) om met de bijl die werd geslepen door geconcentreerde toewijding aan de goeroe. Hij heeft zijn wortels in de jieva (het individuele Zelf). En leg dan je wapen neer (zet de strijd voor Zelfverwerkelijking stop), verankerd in Zelfbewustzijn.