The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage


Mantra Japa
De eenvoudigste, gemakkelijkste en in deze tijd meest doeltreffende methode van meditatie is Mantra Japa, herhaling van een mantra. Dit wordt ook Japa Yoga genoemd. In hoofdstuk X vers 25 van de Bhagavad Gietaa zegt Shrie Krishna: “Japayagnyoshmi. Onder offers ben Ik het offer van japa.” Japa Yoga is een volledig pad op zich.

Mantra
Woorden zijn in het Sanskrit afgeleid van een werkwoordswortel. Japa is afgeleid van de werkwoordswortel jap, prevelen, herhalen.

Mantra is een woordsamenstelling van de werkwoordswortels man, denken en traa, beschermen. De definitie is: mananaat trayate iti mantrah: wat door herhaling beschermt, is een mantra.

Een groot geheim
Laat ik dit laatste illustreren met een beeld uit de Garoeda Poeraana:

De boter is aanwezig in het lichaam van de koe, maar vermeerdert haar kracht niet. Wanneer de koe wordt gemolken en de melk wordt gekarnd en de ghie (geklaarde boter) aan de koe wordt gegeven, dan geeft dit haar extra kracht. Zo geeft ook de Aldoordringende, al is Hij aanwezig in het lichaam, geen speciaal voordeel aan mensen als ze Hem niet gunstig stemmen.

De Aldoordringende heeft zijn verblijfplaats in je hart. Maar dat geeft je geen extra kracht, tenzij je Hem gunstig stemt. Hoe kun je Hem gunstig stemmen? Door over Hem te mediteren met zijn Naam (Sanskrit: naama) of mantra.

Viniyoga betekent: opdracht, taak.
Pankti is een metrum met tien lettergrepen in elk vierde van het vers.

De doelgroep
Ik las dit in mijn artikel met instructies voor Japa Yoga in voor degenen die het interesseert. Maar voor mij hoef je er je hoofd niet op breken. Het is zoals met muziek. Je kunt genieten van muziek al kun je geen noot lezen zo groot als een kerk en al heb je niet de minste muzikale opleiding genoten.

Er zijn mensen die hun hele leven partituren bestuderen, maar die nooit naar muziek luisteren. Wees niet zo’n dwaas. Daar is het leven veel te kort en te kostbaar voor. Het is natuurlijk zo dat hoe beter je de dingen begrijpt hoe groter de waardering wordt.

Naam en vorm
De devataa van de mantra heeft ook een vorm. Toen de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung naar India ging en de godenbeelden zag, zei hij dat het archetypes, oerbeelden, waren.

Voor de oude wijzen waren de afbeeldingen van de goden de picturale voorstelling van hun naam, dat wil zeggen de voorstelling van de naam in vorm en kleur.

Leg op een opgespannen vlies wat zandkorrels. Als je over dat vlies gaat zingen, begint het te trillen en beginnen de zandkorrels te dansen. Als je die dansende zandkorrels filmt, zul je allerlei allerlei vormen zien verschijnen. Zing bijvoorbeeld OM Namah Shivaaya over het vlies en de vorm van Shiva zal verschijnen. De rudimentaire vormen werden in de loop van jaren door kunstenaars verder uitgewerkt.

Men kan de mantra herhalen zonder concentratie of met concentratie op het beeld. Swami Sivananda schrijft in zijn Song of meditation:

When you meditate on Hari (God) keep his picture in front of you.
Look at it with a steady mind, you will develop concentration.

Wanneer je mediteert over Hari zet dan zijn afbeelding vóór jou.
Kijk ernaar met een vaste blik, je zult concentratie ontwikkelen.

Ik had zin in vanillepap en kocht een doos vanillepoeder. Op de verpakking stond dat ik 67 gram vanille per liter melk moest gebruiken. Je moet al een wegertje hebben om die klus te klaren. Heb je een wegertje dan is het nog een gesukkel voor een amateur als ik. Ik had natuurlijk een pak moeten kopen waarin aparte porties verpakt zitten, zei mijn vrouw met enig leedvermaak. Maar, voegde ze eraan toe, men is altijd slimmer als men van de markt komt dan als men vertrekt. De maalaa heeft dezelfde praktische functie.

Honderd en acht
Een maalaa is een snoer met 108 kralen. Dat 108 is natuurlijk niet zomaar gewoon een getal. Er zijn verscheidene verklaringen. De eerste is dat er negen planeten en twaalf maanden zijn: 12 x 9=108.

De tweede verklaring is meer filosofisch. 1 verzinnebeeldt de persoonlijke godheid; de 0 verzinnebeeldt het Absolute of het transpersoonlijke. 8 verzinnebeeldt de natuur (prakriti). In vers 4 van hoofdstuk VII van de Bhagavad Gietaa zegt Shrie Krishna:

Bhoemiraapo’nalo vaayoeh kham mano boeddhirevacha
Ahamkaara itieyam me bhinnaa prakritirashtadhaa.

Aarde (bhoemi), water (aapa), vuur (anala), lucht (vaayoe), ether (kham), de geest (manas), het intellect (boeddhi) en het ego (ahamkaara; letterlijk ikmaker), aldus is Mijn natuur (prakriti) achtvoudig verdeeld.

De derde verklaring komt uit de Aayoerveda en heeft betrekking op de anatomische kennis van de oude wijzen. Er zijn in het lichaam 107 marmas. De bovenste is op de top van de schedel, de onderste op de voetzolen. Marmas zijn neurotransmitters. Als een moeder haar baby bekijkt bijvoorbeeld komt de melkproductie in haar borst op gang. Dit is dank zij een marma. Maar er zijn geen 107 marmas, maar 108. Wat is de honderd en achtste? Het Allerhoogste zelf is de honderd en achtste.

De 107 marmas zijn ook de gopies of herderinnen uit het dorp Vraja waar Krishna opgroeide. Krishna is de honderd en achtste marma. De gopies verzinnebeelden de individuele zielen die smachten naar hun oorsprong, Krishna. Dit wordt beschreven in de Bhaagavata Poeraana, de meest gezaghebbende Poeraana.

Krishna werd geboren in Mathoeraa in een kerker. Zijn ouders werden er in opgesloten door de tiran Kamsa. Krishna’s moeder was de zuster van de tiran. Bij haar huwelijk werd voorspeld dat haar achtste kind de tiran ten val zou brengen. De kinderen die in de kerker werden geboren, werden overgeleverd aan Kamsa, maar Krishna kon in veiligheid worden gebracht in het dorpje Vraja op de andere oever van de Yamoenaa. Omdat hij het achtste kind was, wordt zijn geboortedag ook Janmaashtamie genoemd, de achtste geboorte. De Bhaagavata beschrijft Krishna’s kindertijd en jeugd en zijn omgang met de gopies. Als hij kon, stal hij hun boter. Op zeker ogenblik beklaagt hij zich bij zijn moeder met de woorden: “Merie chotie chhotie hai. Mijn paardenstaart is te klein.” Hij bedoelt dat hij niet genoeg boter krijgt. Dit betekent dat men niet genoeg mediteert. Een van zijn namen is Navanietachora, Boterdief. Chora betekent: dief. Navanieta is de boter die gemaakt is van de eerste melk van de dag of met andere woorden de rijkste melk. Nava betekent: nieuw.

De melk verzinnebeeldt de geest. En met een melkachtige geest kun je niet mediteren. De melk moet worden gekarnd om boter te hebben. Eerst moet er een cultuur worden aan toegevoegd. Dit is een beetje karnemelk van de vorige keer. Ze wordt ergens op een rustige plaats gezet, zodat ze een chemische verandering kan ondergaan. Als ze dan wordt gekarnd, komt de boter bovendrijven. De geest is de melk. De cultuur is de mantra. De mantra zinkt door de inwijding diep weg in de diepere lagen van de geest en doet hem een verandering ondergaan. Het karnen is het herhalen van de mantra. De boter is de meditatie waaraan Krishna zich tegoed doet. Swami Satchidananda schreef aan een meisje dat zich eenzaam en ongelukkig voelde: “Be a butter better person. Wees een boter beter mens.” Hij bedoelde: mediteer meer. Swami Sivananda zong: “He Krishna aajaa makhan khajaa. O Krishna, kom en eet onze boter.”

Mantras werken op deze marmas. Een andere naam van de Ultieme Werkelijkheid is Raama, afgeleid van de werkwoordswortel ram, verrukken. Raama is degene die zich uitdrukt in je hart in de vorm van verrukking. Men zegt: Raamaraasaayana. Raasaayana betekent: ver-jon-ging. Elke keer dat je de mantra herhaalt, wordt het organisme verjongd.

Als je kinderen hebt in het lager onderwijs kun je hen de tafel van 9 leren door te tellen op hun vingers. Bijvoorbeeld 3x9. Strek de tien vingers. Buig de derde vinger van de linkerhand in de linkerhandpalm. Links van die gebogen vinger zijn de duim en de wijsvinger, 2 vingers dus. Rechts zijn er 7 vingers: de ringvinger en de pink van de linkerhand en de 5 vingers van de rechterhand. De uitkomst is dus 27.

Het gebruik van de maalaa
De maalaa wordt vastgehouden tussen de ringvinger en de middenvinger van de rechterhand. Hij zit tussen die twee vingers geklemd. Met de duim trek je de kralen naar je toe, voor elke mantra een kraal. De maalaa moet vrij hangen, zodat hij geen enkel gedeelte van het lichaam aanraakt, want als hij dat wel doet, leidt dat de aandacht af naar het aangeraakte lichaamsdeel. De wijsvinger wordt niet gebruikt, omdat hij het ego verzinnebeeldt.

Tussen twee kralen van de maalaa zit een pluisje. Dit wordt de meroe (het centrum) genoemd. Dit is het begin en het einde van de maalaa. Je begint met je japa bij de meroe. Je geest gaat natuurlijk overal heen en als beginner ga je natuurlijk met hem mee. Hij wordt onophoudelijk naar buiten getrokken door geluiden, geuren en gewaarwordingen. Op zeker ogenblik voel je het pluisje onder je vingers. Dat wekt je uit je verstrooidheid. Op dat ogenblik zeg je bij jezelf: “Het is niet de bedoeling dat ik aan het dagdromen ben of dat ik luchtkastelen bouw en me laat op sleeptouw nemen door mijn geest of dat ik indommel. Het is de bedoeling dat ik mijn mantra herhaal.” Je keert dan de maalaa om en herbegint met een vernieuwd van-kraal-tot-kraalbewustzijn.

Wanneer ben je goed bezig?
Zolang de kralen verschuiven, ben je goed bezig. De rest is oefening. Als de kralen niet verschuiven, ben je slecht bezig.

Tel het aantal maalaas op de vingers van de linkerhand.

Geleidelijk gaat je geest werken in steeds kleinere cirkels en leert hij concentratie. Hij gaat werken in hogere centra en komt in contact met zuiverder energieën. De devataa van de mantra zal je beschermen.

Laat je niet ontmoedigen. Alle begin is moeilijk. Doe wat je kunt. Doe wat je moet doen en maak je geen zorgen over het resultaat. De vruchten van je oefening dragen zorg voor zichzelf. Succes komt als de tijd rijp is en geen ogenblik eerder.

Zit onder een meditatiedoek of een dekentje, zodat de maalaa bedekt is, anders verliest hij zijn kracht. Bewaar de maalaa op de plaats waar je hem gebruikt.

Je kunt ook een maalaa in je zak steken. Swami Sivananda noemde dit een reminder, iets wat je herinnert aan je oefening.

Take it easy, don’t be lazy
Twee Yogis zaten onder een boom te mediteren. Naarada, de boodschapper tussen hemel en aarde, kwam op zekere dag koelte zoeken in de schaduw van die boom. De Yogis vroegen hem of hij zo goed zou willen zijn er in de hemel naar te informeren hoeveel keren ze nog geboren moesten worden op aarde. Lange tijd nadien keerde Naarada terug. Tegen de ene Yogi zei hij: “Je moet nog twee keer op aarde worden geboren alvorens de verlichting te bereiken.” De Yogi begon luid te jammeren en zich op de borst te slaan. Tegen de andere Yogi zei Naarada: “Je moet nog zoveel keren terugkeren op aarde als er bladeren staan op deze boom.” De Yogi sprong overeind en danste van vreugde, roepend: “Eindelijk is het einde in zicht!” En dát is de spirit.

Hij nam een stok en raakte de uier van de koe aan. Ze trapte. Hij raakte de uier opnieuw aan en weer trapte ze. Ze hield het een dag lang vol. Daarna heeft ze nooit meer getrapt. Yogis noemen dit abhyaasa, oefening.

Een verhaal
Een man leerde een demon kennen, die beschikte over bijzondere krachten. De demon was bereid hem te dienen. “Maar”, zei hij, “ik ben een heel ongeduldig iemand en ik wil altijd worden beziggehouden. Als ik niets om handen heb, zal ik u verslinden.” “Geen probleem”, dacht de man. Hij gaf de demon de opdracht een paleis te bouwen. Het stond er in een oogwenk. Hij beval hem een tuin aan te leggen. Dat was zo in orde. In de kortste keren wist de man niets meer te bedenken en het dreigement van de demon indachtig spoedde hij zich naar de Yogi die zijn hut had even buiten het dorp. Deze wijze man gaf hem de volgende raad: “Steek een bamboestok in de grond, wrijf hem in met olie en vraag de demon er op en af te klimmen.” Niet lang nadien sloeg de demon op de vlucht.

De demon is de geest. De stok is de mantra. Het op en af klimmen is de herhaling van de mantra.

Heb vertrouwen
Een koning had een eerste minister die bij elke gelegenheid zei: “Het zal wel voor iets goed zijn.” Op zekere dag was de koning met een groot gevolg op jacht. Hij was zo verdiept in een gesprek met zijn eerste minister dat ze hun gevolg uit het oog verloren en verdwaalden. “Dat zal wel voor iets goed zijn”, zei de eerste minister. De koning kreeg honger. Ze stopten aan een boom die vruchten met een harde bolster droeg. De eerste minister probeerde de bolster van een vrucht open te breken. Maar dat lukte niet direct. De koning werd ongeduldig en trok de vrucht uit de handen van de eerste minister, maar kwetste zich daarbij aan diens dolk. “Dat zal wel voor iets goed zijn”, zei de eerste minister. De koning werd daardoor zo kwaad dat hij hem een oorveeg gaf en hem wegstuurde. “Dit zal wel voor iets goed zijn”, dacht de eerste minister. Op dat ogenblik werd de koning gegrepen door een bende wilden, die ieder jaar een mensenoffer brachten aan hun godin. De koning protesteerde heftig, zeggend: “Ik ben de koning.” De wilden zeiden: “Onze godin zal tevreden zijn, want een koning krijgt ze niet ieder jaar.” Toen zagen ze dat de koning gekwetst was aan zijn hand. Dit maakte hem ongeschikt om te worden geofferd. De koning dacht aan de woorden van zijn eerste minister. Hij ging naar hem op zoek en toen hij hem vond, verontschuldigde hij zich. Maar de eerste minister zei: “Sire, verontschuldig u niet, want dat u me sloeg en wegstuurde was ook voor iets goed. Als u dat niet had gedaan, dan zou ik nu worden geofferd aan hun godin.”

Zie jezelf in de ander
Er was in een Indiaas dorp een hondenplaag. De honden blaften hele nachten lang en hielden de dorpelingen uit hun slaap. Ze konden de honden niet doden. Ten einde raad vroegen ze advies aan een Yogi, die zijn hut even buiten het dorp had. De Yogi zei hen een hut te bouwen, er een spiegel en een bord met hondenvoer in te zetten en een hond te vangen en die in de hut op te sluiten. Zo gezegd, zo gedaan. Ze hoorden lange tijd een woest geblaf. Toen ze niets meer hoorden, gingen ze kijken. De hond lag dood en het hondenvoer was onaangeraakt. Zo gingen ze dag na dag door. Op zekere dag hoorden ze helemaal niets toen ze een hond hadden opgesloten. Ze gingen kijken. De hond had het voedsel opgegeten en lag rustig te slapen. Het bleek de hond van de Yogi te zijn. Hij zag zichzelf in de spiegel en niet een andere hond.

Met deze idee in gedachten groeten mensen in India elkaar met een namaste of namaskaar. Dit betekent: gebogen zij voor jou. De onderliggende gedachte is: God in mij, groet God in jou.