The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage


WAAROM BRAHMANEN NIET DRINKEN

Uit: het Mahaabhaarata-epos, vrij vertaald door Narayana

Uit Licht van Sivananda,oktober 1999, vol. 410

In de dagen van weleer werden door devas (goden) en asoeras (demonen) grote veldslagen geleverd om de heerschappij over de drie werelden. Gedreven door het verlangen naar de overwinning, stelden de goden Brihaspati aan als hun offerpriester. Hun tegenstrevers, de demonen, stelden Shoekra aan. Tussen deze twee brahmanen bestond een grote opschepperige rivaliteit. Shoekra bezat de geheime kennis om de demonen die door de goden waren gedood weer tot leven te wekken. En weer tot leven gewekt, bevochten ze de goden opnieuw. Ook de demonen doodden vele goden. Maar ook al was Brihaspati zeer geleerd, de kennis om de doden weer tot leven te wekken, bezat hij niet. Zeer beangst, zochten de goden Kacha op, de oudste zoon van Brihaspati. Ze legden hem hun probleem voor en vroegen hem het geheim om de doden tot leven te wekken aan Shoekra, de priester van de demonen, te ontfutselen.

"U bent jonger dan Shoekra", zeiden ze, "u kunt hem dus vereren. U kunt ook Devayaanie, de lievelingsdochter van die wijze, vereren. U kunt hen beiden voor u winnen. Niemand anders is daartoe in staat."

Kacha begaf zich naar het hof van koning Vrishaparva, de koning van de stad van de demonen. Toen hij daar aan het hof Shoekra ontwaarde, sprak hij tot hem: "Vereerde Heer, ik kom om door u te worden aanvaard als discipel. Ik ben de kleinzoon van rishi Angiras (rishi: een ziener of wijze) en de zoon van Brihaspati. Mijn naam is Kacha. U aanvaardend als mijn grote voorganger, zal ik gedurende duizend jaar brahmacharya {celibaat} beoefenen. Beveel me."

Shoekra sprak: "Kacha, wees welkom. Ik aanvaard je woorden en zal je, uit eerbied voor Brihaspati, behandelen met respect." Kacha legde zijn gelofte van kuisheid af en begon zijn leraar Shoekra en diens dochter, Devayaanie, te vereren.

Elke dag behaagde hij de jeugdige Devayaanie met gezang, dans en muziek, met bloemen en vruchten. Hij diende haar als een gehoorzame dienaar. Devayaanie zong voor hem en behaagde hem met minzaam gedrag.

Toen vijfhonderd jaar voorbij waren gegaan, kwamen de demonen erachter wat hij van plan was. Op zekere dag zagen ze hem alleen toen hij het vee van zijn leraar aan het hoeden was. Ze doodden hem, hakten zijn lichaam aan stukken en voedden er de jakhalzen en de wolven mee. Het vee keerde die avond alleen terug.

Devayaanie zei tegen haar vader: "O vader, het avondvuur werd ontstoken. De koeien keerden terug, maar zonder Kacha. Het is duidelijk dat hij werd gedood. Weet dat ik zonder hem niet wil leven." Shoekra antwoordde: "Ik zal hem weer tot leven wekken." Met behulp van de wetenschap sanjievanie riep hij Kacha tot zich. Kacha verscheen vreugdevol, de lichamen verscheurend van de roofdieren die hem hadden verslonden.

Op een andere dag werd Kacha door Devayaanie naar het woud gestuurd om bloemen te plukken. Opnieuw werd hij gedood door de demonen. Ze vermaalden zijn lichaam tot poeder en vermengden het met het water van de oceaan.

Opnieuw zette Devayaanie haar vader ertoe aan Kacha tot leven te wekken.

De demonen doodden hem een derde maal. Ze verbrandden zijn lichaam en mengden de as door wijn, die ze Shoekra aanboden. Ditmaal probeerde Shoekra zijn dochter ervan te overtuigen dat het nutteloos was Kacha tot leven te wekken. "Hij wordt telkens weer gedood", zei hij. Devayaanie was echter onverzettelijk en dreigde ermee te vasten en Kacha in de dood te volgen. Geroerd door haar woorden, riep Shoekra Kacha opnieuw tot zich. Maar Kacha antwoordde vanuit de maag van Shoekra dat hij niet te voorschijn kon komen zonder Shockra's dood te veroorzaken.

Shoekra vroeg: "O brahmaan, hoe kom jij in mijn buik terecht?" Kacha antwoordde: "Door uw genade liet mijn geheugen me niet in de steek en herinner ik me alles wat me overkwam. Ook mijn ascetische gaven werden niet vernietigd. Daardoor ben ik in staat deze verschrikkelijke pijn te dragen. O zoon van Kavi, ik werd gedood door de demonen. Mijn lichaam werd verbrand en de as werd in uw wijn gedaan."

Shoekra sprak tot zijn dochter: "O Devayaani, wat kan ik nu nog voor je doen? Kacha kan alleen tot leven worden gewekt als ik sterf, want om te voorschijn te komen, moet hij mijn buik openrijten." Devayaanie antwoordde: "Uw en Kacha's dood zijn even verschrikkelijk voor mij. De dood van Kacha zal mijn dood betekenen en ook als u sterft, wil ik niet langer leven."

Shoekra sprak: "O zoon van Brihaspati, dat Devayaanie je zozeer aanbidt, bekroont je met succes. Aanvaard van mij de wetenschap om iemand tot leven te wekken. Niemand komt levend uit mijn buik, maar een brahmaan mag niet worden gedood. Kom terug tot leven, mijn zoon. Met de kennis die je van mij nu ontvangt, moet je, wanneer je werd bevrijd, handelen op een dankbare manier."

Nadat hij van zijn leraar het zo begeerde geheim had ontvangen, deed Kacha de buik van Shoekra openbarsten en kwam hij te voorschijn, zoals de volle maan bij het vallen van de nacht. Hij zag het stoffelijk overschot van zijn leraar liggen als een hoop ascetische deugden en geleerdheid.

Kacha wekte hem tot leven en sprak: "Ik beschouw u, die de ambrosia van de kennis in mijn oren goot, als mijn vader en mijn moeder. Wie dankbaarheid kent. kan zijn leraar nooit kwaad berokkenen."

Omdat hij werd misleid toen hij onder invloed was van alcohol en hij zich de verschrikkelijke gevolgen daarvan herinnerde, zoals het verlies van bewustzijn, stond Shoekra, toen hij voor zich de aantrekkelijke Kacha zag staan, toornig op en met het verlangen een verandering teweeg te brengen in de gewoonten van brahmanen, sprak hij: "De ellendige brahmaan die voortaan niet aan de verleiding zal kunnen weerstaan en zich aan drank te buiten zal gaan, zal worden beschouwd als iemand die de zonde van het doden van een brahmaan heeft begaan. Hij zal worden geminacht op deze wereld en ook in de volgende. Ik stel dit als een beperking aan het gedrag van brahmanen, die overal geldt. Laat het worden gehoord door eerlijke mensen, door brahmanen, door de goden en door al degenen die hun meerderen eren."