The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage


Uit de Bhaagavata Poeraana

uit "Licht van Sivananda" Vol 434

Kennis door vernietiging van de goenas.
De Heer onderricht als een zwaan.

De Heer sprak

1. De eigenschappen (goenas) evenwicht (sattva), rusteloosheid (rajas) en traagheid (tamas) behoren tot het intellect en niet tot het Zelf. Door sattva moet men de andere twee onderwerpen en ook sattva door sattva zelf.

2. Door ontwikkelde sattva bereikt een mens die vorm van spiritualiteit (dharma) die bestaat uit devotie tot Mij. Door het gebruik van saattvische dingen wordt sattva ontwikkeld. Dit leidt tot spiritualiteit.

3. Die hogere vorm van spiritualiteit die het gevolg is van de vermeerdering van sattva vernietigt rajas en tamas. En wanneer deze beide vernietigd zijn, wordt ook de zondigheid, die eruit ontstaat, snel vernietigd.

4.Schriften, water, mensen, plaats, tijd, werk, geboorte, meditatie, mantra en zuivering zijn de tien oorzaken van de ontwikkeling van sattva.

5. Hiervan zijn alleen die saattvisch die door de wijzen worden geprezen. De taamasische zijn die die ze veroordelen en de raajasische zijn die waar ze onverschillig tegenover staan.

6. Voor de vermeerdering van sattva moet men alleen bezig zijn met saattvische dingen. Hieruit ontstaat spiritualiteit en daaruit kennis (gnyaana), gekenmerkt door de verwerkelijking van onafhankelijkheid en de verwijdering van de vereenzelviging met het grove en het subtiele lichaam.

7. Het vuur dat ontstaat door wrijving van bamboetakken in een woud, verbrandt het woud en dooft dan uit. Op dezelfde manier worden de eigenschappen (goenas) vernietigd door het lichaam, dat het gevolg is van een mengeling van de eigenschappen, zoals het vuur.

Oeddhava sprak:

8. O Krishna, stervelingen weten over het algemeen dat zintuiglijke voorwerpen een bron van gevaar zijn. Hoe komt het dat ze ze achternalopen als een hond, een ezel of een geit?

De Heer sprak:

9. In het hart van een mens zonder onderscheidingsvermogen ontstaat vanzelf de verkeerde gedachte van "ik en mijn". Dan overmeestert de verschrikkelijke rajas de geest die saattvisch is.

10. Een geest onder de invloed van rajas koestert begeerten die gepaard gaan met allerlei bedenkingen. Door dan te verwijlen op de aantrekkelijke punten ontwikkelt de dwaze mens een buitensporig verlangen.

11. Onder invloed van dat verlangen en verblind door een gewelddadige rajas stelt de mens zonder zelfbeheersing allerlei daden die toekomstig lijden in zich dragen.

12. Als hij wordt verstrooid door rajas en tamas concentreert de mens met onderscheidingsvermogen, zich bewust van hun kwade gevolgen, zijn geest opnieuw, zonder zich over te geven aan onoplettendheid en is hij er niet aan gehecht.

13. Oplettend en bekwaam moet men op de juiste tijd ('s morgens, 's middags en 's avonds) zijn houding en adem beheersen en zijn geest overgevend aan Mij geleidelijk concentratie beoefenen.

14. Opdat de van alles teruggetrokken geest echt met Mij versmolten zou zijn, werd het proces van Yoga onderwezen aan Mijn discipelen, Sanaka en anderen.

Oeddhava sprak:

15. O Keshava, ik zou graag weten wanneer gij deze Yoga onderrichtte aan Sanaka en anderen en de vorm waarin ge dat deed.

De Heer sprak:

16. Sanaka en anderen, de spirituele zonen van Brahmaa, vroegen hun vader naar het subtiele en uiteindelijke doel van Yoga.

Sanaka en de anderen spraken:

17. O Heer, de geest is gehecht aan de zintuiglijke voorwerpen en de zintuiglijke voorwerpen beïnvloeden de geest. Hoe houden ze op actief te zijn en op elkaar in te werken voor de mens die verlossing zoekt en eraan voorbij wil gaan?

De Heer sprak:

18. Toen hem dit werd gevraagd, dacht de grote Heer Brahmaa, die ongeschapen is en die de oorsprong is van alle wezens, er diep over na, maar hij kon niet doordringen tot de wortel van de vraag, omdat zijn geest bezig was.

19. Om de vraag afdoende te kunnen beantwoorden, dacht hij na over Mij. Ik verscheen hem in de vorm van een zwaan (hamsa).

20. Toen ze Me zagen, raakten ze Mijn voeten aan en Brahmaa tot hun leider makend, vroegen ze Me: "Wie zijt gij?"

21. Aldus ondervraagd door de wijzen, die allen begerig waren de waarheid te vernemen, gaf Ik hen antwoord. Aanhoor van Mij, O Oeddhava, wat Ik bij die gelegenheid zei.

22. O wijzen, als uw vraag naar het Zelf verwijst, dan is ze onaanvaardbaar, omdat die Werkelijkheid één en ondeelbaar is. Op welke grond ook zal Ik, de spreker, staan?

23. Aangezien de lichamen van alle wezens samengesteld zijn uit dezelfde vijf elementen en dus in werkelijkheid gelijk zijn, is uw vraag "Wie zijt gij?" slechts een inspanning van de spraak en is ze volstrekt betekenisloos.

24. Begrijp ten volle dat door de geest, de spraak, het gezicht en de andere zintuigen Ik alleen word gekend en niet iets anders.

25. Ja, Mijn zonen, de geest is gehecht aan de zintuiglijke voorwerpen en de zintuiglijke voorwerpen beïnvloeden de geest. Dus vormen de zintuiglijke voorwerpen en de geest beide het lichaam van de jieva (individuele ziel), die altijd (ook al beseft hij dat niet) vereenzelvigd is met Mij (de geest is niet het wezenlijke van de individuele ziel, maar Bewustzijn; de jieva is in wezen altijd het Absolute).

26. Men moet zowel de geest opgeven die, door er voortdurend op te verwijlen, gehecht is aan de zintuiglijke voorwerpen als de zintuiglijke voorwerpen die de geest beïnvloeden door met Mij vereenzelvigd te zijn (men moet de onechtheid opgeven door Zelfbewustzijn te beoefenen).

27. Waken, dromen en de diepe slaap zijn bewegingen van het intellect, ten gevolge van de eigenschappen (goenas). Het Zelf is er verschillend van, aangezien het afdoende werd aangetoond dat Het hun getuige is.

28. Daar de betrokkenheid met het intellect de goenas in de jieva (individuele ziel) in beweging zet, moet men ze opgeven door te rusten in Mij, de Allesoverstijgende. De zintuiglijke voorwerpen en de geest worden dan gescheiden.

29. Wetende dat de gebondenheid die het gevolg van egoïsme is aan de basis ligt van alle moeilijkheden van de jieva, moet men er afkerig van zijn en zijn vereenzelviging met het intellect opgeven, rustend in de Allesoverstijgende.

30. Tot aan de notie van veelvuldigheid in de mens een einde werd gemaakt door redenering, is hij zo goed als in slaap zelfs al is hij wakker, want hij is onwetend, zoals men zich in de droom inbeeldt wakker te zijn.

31. Aangezien andere voorwerpen dan het Zelf onwerkelijk zijn, is ook de veelvuldigheid vals die door hen wordt geschapen, alsook de overgang naar andere omstandigheden met hun oorzaken, zoals in het geval van een man die droomt.

32. Hij die in de waaktoestand met al zijn zintuigen in de buitenwereld voorwerpen geniet met hun altijd veranderende kenmerken, hij die in de droomstaat gelijkaardige ervaringen heeft in zijn hart en hij die deze terugtrekt in de diepe slaap zijn één en hetzelfde Zelf, de Getuige van deze drie staten en de bestuurder van de zintuigen. Dit wordt bewezen door de ononderbroken aanwezigheid van het geheugen in deze drie staten.

33. Aldus bedenkend dat de drie staten van de geest die het gevolg zijn van de eigenschappen (goenas) in Mij worden geschapen door Mijn Maayaa (illusie) en aldus zekerheid hebbend over de Werkelijkheid, moet je het egoïsme vernietigen dat de vergaarbak van twijfels is met het zwaard van kennis, geslepen door afleiding en gezaghebbende getuigenissen en vereer Mij die gezeten is in het hart.

34. Men moet dit heelal beschouwen als een zinsbegoocheling, een waanvoorstelling van de geest, die nu wordt gezien en het volgende ogenblik wordt vernietigd, zoals een droom en even onstandvastig als een cirkel van vuur. Het is het ene Bewustzijn dat verschijnt als veelvuldig in vorm. Het drievoudige onderscheid (waken, dromen, droomloos slapen) dat het gevolg is van de verandering van de goenas is Maayaa (illusie).

35. De zintuigen terugtrekkend van het heelal moet men verzonken zijn in zijn eigen zaligheid, zijn begeerten opgevend, stil en vrij van doenerschap. Wordt het heelal dan ervaren, dan leidt dat niet tot dwaling, daar het werd verwijderd als iets onwerkelijks, maar zal het, tot de dood, slechts bijblijven als een herinnering.

36. De volmaakte (siddha) ziet het vergankelijke lichaam niet als werkelijk, zittend of staand, toevallig uitgeschakeld of toevallig hersteld, want hij ontdekte zijn ware aard, zoals een stomdronken man zich geen zorgen maakt over de kleren die hij draagt.

37. Het lichaam is waarlijk in de greep van het lot en blijft bestaan, samen met de praanas (levensenergieën), zolang het werk (karma) waardoor het ontstond niet is uitgewerkt. De mens die in Yoga samaadhi bereikte en de Waarheid verwerkelijkte, hecht zich niet meer aan het lichaam en wat erbij behoort.

38. O wijzen, Ik zei u wat het meest innerlijke geheim is van Saankhya (de wetenschap die het onderscheid maakt tussen het Zelf en het niet-Zelf) en Yoga (de wetenschap die leert hoe de Zelfverwerkelijking te bereiken). Weet dat Ik Vishnoe ben, hier gekomen om u inzicht te brengen in religie (dharma).

39. O besten onder de wijzen, Ik ben het opperste doel van Yoga en Saankhya, van Waarheid (satya) in praktijk en theorie, van moed en weelde, van faam en zelfbeheersing.

40. Alle eeuwige deugden, zoals gelijkheid van visie, onthechting enz. sieren Mij die zonder eigenschappen (nirgoena), Absoluut, beminde Vriend en het Zelf ben.

41. Oprecht vereerd en geprezen door deze grote wijzen, keerde Ik terug naar Mijn verblijfplaats, onder de ogen van Brahmaa (de schepper) zelf.