The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage


Swami Chidananda

Uit licht van Sivanada : maart 2008   Vol. 495

Swami Sivananda was edel van ziel, met een hart vol van een wonderbare liefde. Heel zijn leven streefde hij ernaar anderen gelukkig te maken. Dit was zijn belangrijkste doel en oogmerk. Hij was dan ook geliefd bij ontelbare mensen over de hele wereld. Hij was zelf een heel gelukkig mens, die graag lachte en die anderen deed lachen. Hij zat vol humor en straalde blijheid uit. Hij liet mensen hun zorgen en moeilijkheden vergeten en bracht vreugde en zonneschijn in hun leven. Dit deed hij voor alle mensen. Hij maakte geen verschil tussen Oost en West, tussen dit land of dat land, dit ras of dat ras, deze religie of die religie. Hij was ook iemand met een groot mededogen, begrip en sympathie. Hij gaf onmiddellijk iedereen het gevoel dat ze bij hem hoorden en dat hij bij hen hoorde. Er waren voor hem geen vreemdelingen op deze wereld. Iedereen was hem nabij. Zijn liefde ging naar iedereen uit. Het was een vreemd verschijnsel te zien hoe zelfs mensen die zijn taal niet spraken en wier taal hij niet sprak onmiddellijk een gevoel van eenheid ervoeren zodra ze in zijn nabijheid kwamen. Hij was een heel eenvoudig iemand. Ministers, geleerden, staatslui en andere hoogwaardigheidsbekleders kwamen hem hun eerbied en respect betuigen. Maar nooit voelde hij zich groot of belangrijk of op enige manier buitengewoon. Hij was natuurlijk en eenvoudig, bijna kinderlijk in zijn gedrag. Maar samen met deze absoluut natuurlijke eenvoud was er een diepe wijsheid in zijn hart, die hij had verworven door jaren van grote versterving en gebed op een eenzame plaats. Natuurlijk bezat hij in zijn jonge jaren al elementen van deze wijsheid. Hij was al vriendelijk en dienstvaardig tijdens zijn schooldagen. Hij was ouderen en vreemdelingen heel behulpzaam.

Hij studeerde geneeskunde en vertrok als dokter uit India naar het verre oosten. Gedurende tien jaar werkte hij in Singapore en Malaya met grote liefde. Dit dienstbetoon bracht een grote verandering in hem teweeg. Hij diende de armen en de noodlijdenden zonder enige verwachting van winst of beloning. In die dagen was Malaya het land van Britse rubberplantages. De plaatselijke bevolking slaafde en zwoegde voor hen. Er waren ook tinmijnen. Indiase, Chinese, Maleise arbeiders werkten op deze plantages en in de tinmijnen. Hij woonde en werktij nabij zo'n grote plantage. En hij groeide er in mededogen, vriendelijkheid en sympathie. Hij werd bewogen door de pijn en het lijden van deze arme mensen. Heel zijn hart ging naar hen uit met grote sympathie en vriendelijkheid. Hij was een broeder voor allen, zoiets als een goede Samaritaan. Hij maakte in zijn werk geen verschil tussen dag en nacht. Zijn deur stond op ieder ogenblik open voor iedereen. Wanneer een zieke hem nodig had, schoot hij hem onmiddellijk te hulp. En als ze heel arm waren, behandelde hij hen gratis. En soms gaf hij hen zelfs wat geld uit eigen zak. Dit was het soort man dat hij werd in die tijd.

Zijn contact met ziekte, menselijk leed, pijn en lijden en de dood brachten in hem een innerlijk ontwaken teweeg. Hij ontdekte de ware aard van het leven op aarde. Hij zag dat het geen mooie en zoete ervaring is, maar dat het vol van pijn en lijden is. Dit deed in hem een religieus bewustzijn ontwaken. Hij zag dat het leven hier pijnlijk is, dat het lichaam een verblijfplaats is van ziekte en dat de innerlijke ziel erin opgesloten zit in een staat van gebondenheid en gevangenschap. Zijn geest keerde zich naar de filosofie toe. Hij las het leven van wijzen en denkers en hij begon de uitweg te zoeken uit zorgen en pijn. "Is er geen uitweg waardoor de mens kan uitstijgen boven zijn huidige toestand? Is dit de enige ervaring die in zijn bereik ligt? Is er geen andere staat waarin de onvolmaaktheden, de zorgen en de pijn niet aanwezig zijn, een staat die wordt gekenmerkt door vrede, vreugde en echt geluk die hier nu afwezig zijn?" Deze vraag en dit onderzoek dreven hem naar de studie van de filosofie en van het denken. Hij dacht over deze vragen diep na. Uiteindelijk kwam hij er achter dat er een staat is van zaligheid, vol van verrukking, vol van vrede en vreugde en dat die staat in het bereik ligt van iedereen. Wat anderen vroeger bereikten dat kunnen ook wij bereiken. Daarom besloot hij zich ten volle hierop toe te leggen. Plots kwam de dag waarop hij zijn succesvolle praktijk, zijn populariteit, zijn welstand en alles opgaf en dat hij terugkeerde naar India. Hij kwam als een eenzame rondtrekkende zoeker en hij richtte zijn schreden naar het noorden, naar de Himalayas. Na weken en maanden van omzwervingen bereikte hij een rustig klein dorp op de oevers van de heilige rivier de Gangaa, een kleine plaats op de uitlopers van de Himalayas, aan alle zijden omringd door bergen. Praktisch gezien eindigde beschaafd, modern India op deze plaats, want voorbij dit oord waren er slechts de bergen en de wouden van de Himalayas. Het was het meest noordelijke gedeelte van India waar in de Himalayas India eindigt en Tibet begint. Hiervan maakte hij de plaats van zijn stille afzondering, versterving, gebed en innerlijke meditatie. Hij kwam aan op deze plaats ergens in 1923-1924. Gedurende tien jaar dompelde hij zich onder in stille meditatie. Hij sprak heel weinig, beoefende zelfbeheersing, leidde een eenvoudig leven, diende de plaatselijke bevolking met mededogen en vriendschap. Het was een plaats waar slechts monniken en kluizenaars verbleven. Er waren enkele dorpen in de omgeving. Ook de dorpelingen verstrekte hij medische bijstand. Op andere ogenblikken was hij verdiept in gebed, meditatie en studie. Dit intens leven bracht deze wonderbare man de verlichting. Vanaf die dag begon zijn missie om de mensen diezelfde grote verworvenheid voor te houden. Hij wilde zijn vreugde en vrede met iedereen delen. Daarom riep hij alle mensen op en zei: "O vrienden, O beminde kinderen, er is een weg waardoor jullie alle zorgen en alle lijden van dit leven kunnen overstijgen en echte vreugde en geluk vinden in dit leven zelf. Het is slechts hiervoor dat jullie op deze wereld zijn gekomen. Het is de zin van dit leven. Een leven dat leidt naar deze grote verworvenheid, waar zorgen verdwijnen en vreugde in je hart komt, waar er niet langer innerlijke duisternis is, waar het licht vanbinnen schijnt en het leven niet langer een bron van zorgen is, is het echte leven en een bron van grote vreugde." Deze boodschap noemde hij Goddelijk Leven (Divine Life). Hij gaf het een eenvoudige universele naam, die niet het label van een of andere religie draagt, maar dat een leven is dat leidt naar de goddelijke ervaring, een leven dat wordt geleid in de wetenschap dat er achter dit vergankelijk lichaam en achter deze rusteloze geest een volmaakt, goddelijk beginsel schuilgaat. Dat eeuwige goddelijke beginsel is in wezen absolute vrede en stralende zaligheid. Deze goddelijkheid is in jou verborgen. We vergeten dit. Wij verwaarlozen het en zoeken het hier en daar, in deze wereld van uiterlijke zintuiglijke voorwerpen. We zoeken tevergeefs het geluk in tijdelijke, veranderlijke en eindige voorwerpen met vele tekortkomingen. Hoe kunnen vergankelijke, veranderlijke, eindige dingen echt geluk en voldoening schenken? Dit is onmogelijk. En toch zoekt de mens altijd het geluk waar het niet kan worden gevonden. Hij huilt en jammert dan en weet niet wat de reden is van zijn zorgen. Hij alleen ligt aan de basis van zijn zorgen. Zijn grote vergissing ligt in het geloof dat deze onvolmaakte wereld hem echt geluk kan geven. Dit is de wortel van al zijn kommer. Er is niets mis met de uiterlijke wereld. Hij gaat niet vóór je staan, zeggend: "Kom, O mens, ik zal je geluk geven." De vele dingen en voorwerpen op deze wereld beweren niet dat ze de bron van het geluk zijn. Ze beloven niets. Zij zijn niet de oorzaak van je ontgoocheling. Jij bent het die iets verwacht en die daardoor aan de basis ligt van je ontgoocheling. De vergissing ligt dus niet bij de wereld, maar bij de mens. Op die manier dwaalt hij van de geboorte tot de dood door dit woud van wereldse beslommeringen, door de wildernis van vergankelijke en veranderlijke dingen, zich inbeeldend dat hij in deze dingen hier het echte geluk kan vinden. Voorwerpen geven slechts een tijdelijke, zintuiglijke voldoening. Een mooie, kleurrijke vorm schenkt wat voldoening aan de ogen. Een lekkere smaak geeft wat plezier aan de tong. Een aangename klank of een vriendelijk woord geven de oren een beetje plezier. Een zachte en aangename aanraking schenkt de tastzin wat genoegen. Deze prettige kleine ervaringen geven wat zintuiglijk genot aan de tong, de neus, de tastzin, de oren en de ogen, maar ze zijn niet het geluk. Het is geen vreugde. Het is iets wat zich slechts afspeelt op het lichamelijke vlak. Het is een biologisch proces, dat volledig gebaseerd is op je zenuwstelsel en dat behoort tot de dierlijke natuur. Het lichaam is niets anders dan de dierlijke structuur van je persoonlijkheid. Als een gedeelte van je zenuwstelsel niet functioneert, heb je die ervaringen niet. Deze vijfvoudige zintuiglijke ervaring is dus een lichamelijk proces, maar niet het geluk. Geluk is een innerlijke zijnsstaat. Het is een innerlijke staat van de geest en het hart. Soms welt het gewoon op vanbinnen uit, zelfs in de afwezigheid van enig zintuiglijk voorwerp. Wanneer je soms alleen bent, wanneer de geest niet wordt beroerd door begeerten, wanneer er geen bepaalde wens of behoefte wordt gevoeld en je in vrede bent met jezelf kun je innerlijk een zeldzame vreugde ervaren. Deze vreugde komt in de afwezigheid van welk voorwerp ook.

Deze grote waarheid dat vreugde in ons is, dat geluk de kern van ons ware wezen is en dat het niet buiten ons moet worden gezocht en dat hoe meer we het buiten ons zoeken hoe sterker de begeerten worden en hoe verder het geluk en de vrede van ons af staan. Deze waarheid werd door de leringen van de Meester doorgegeven aan allen. Maar hij was een realist en een praktisch mens. Ook al gaf hij dit geheim van Zelfervaring door, toch wist hij dat de mens ook zijn dagelijks leven moet leiden. Hij gaf praktische suggesties en regels voor het dagelijks leven waarmee men ook terwijl men zijn plichten deed, kon groeien in deze staat van zelfbeheersing en innerlijke beheersing. De geleidelijke discipline die hij voorhield vormde het wezen zelf van zijn onderrichtingen. Deze regels waren van een volstrekt seculiere en niet-sektarische aard, zodat ze geen hinderpaal vormden voor de religie waarin men was geboren of die men beoefende. Hij gaf deze onderrichtingen in twintig spirituele instructies, die de essentie vormden van de leringen van alle heiligen en wijzen. Hij noemde het spiritualiteit in het dagelijks leven. Door deze regels te volgen groeit men in geluk en vrede en verwijdert men zich van lijden en zorgen.

Wees goed en vriendelijk. Haat niemand. Voel voor niemand afkeer. Zie slechts de goede punten in anderen en ga niet op zoek naar hun fouten. Niemand is volmaakt en niemand is verantwoordelijk, want God maakte hen tot wat ze zijn. Zie de dingen dan ook met een welwillend oog. Zie het goede en negeer het slechte. Als je het slechte toch wil zien, zie het dan in jou. Probeer het daar te verwijderen en word een volmaakt mens. Beoefen aldus vriendelijkheid in het dagelijks leven. Laat je woorden vrij zijn van woede en hardvochtigheid. Spreek zoet en spreek zacht. Vergeef mensen. Probeer altijd van dienst te zijn. Houd je aan de waarheid. Zuiver aldus je hart. Ontwikkel een grote liefde voor het ultieme universele beginsel dat de bron is van het gehele heelal. Door dat te zien en door dat te bereiken, bereikt men volheid. In deze huidige staat van afgescheidenheid van de bron van je wezen ben je onvolledig. Volledigheid en heelheid komen in je leven wanneer je het spirituele contact herstelt met Dat. Ontwikkel deze innerlijke honger, deze innerlijke devotie, door het leiden van een innerlijk leven. Ga vooruit door gebed. Ga vooruit door dagelijkse contemplatie. Ga vooruit door innerlijke aanbidding. En probeer een onophoudelijke herinnering te ontwikkelen van dat ultieme goddelijke beginsel. Doe dit te midden van je dagelijks leven. Laat je innerlijk rusten in die eeuwige Werkelijkheid. Zo'n leven wordt een goddelijk leven genoemd, want het is een leven dat naar de goddelijk ervaring leidt. Het is een leven dat het goddelijke in jou tot ontplooiing brengt. Het is een leven dat wordt geleid in het bewustzijn van het spirituele doel van het leven. Het is een leven waarin je met je woorden, dagelijkse activiteiten en gedachten het goddelijke in jou tot uitdrukking brengt. Het is een leven waarin je schoonheid, liefde en vreugde van binnenuit manifesteert. Het leven is dan niet langer een uitdrukking van je kleine zelfzuchtige natuur. Het is dan geen proces meer van kleine zelfzuchtige daden, van woede, irritatie, scherpe woorden, vechten en twisten, bekrompen vijandschappen en afgunst, opwinding en rusteloosheid, maar het is een leven dat uitdrukking geeft aan mededogen, vriendelijkheid en liefde, de geest van onzelfzuchtig dienen, de begeerte om anderen gelukkig te maken en nuttiger te zijn voor anderen. Zo'n leven wordt een goddelijk leven genoemd. Je wordt een zegen voor jezelf. Je brengt vreugde in je huis. Je geeft geluk aan je ouders en je hele familie. Je brengt vriendelijkheid, liefde en geluk in je eigen buurt, onder je vrienden, in de gemeenschap waarin je leeft, kortom in alle domeinen van je leven. Je wordt een centrum van zegeningen. Je vult jezelf met vreugde en vrede. Je brengt ook vreugde en vrede aan anderen. Maar om dit te doen heb je zelfbeheersing nodig. Als je een slaaf bent van je zinnen kun je zo'n leven niet leiden. Je hebt dus zelfbeheersing en controle over je geest en je zinnen nodig, controle over dit ego en zijn zelfzucht. Maar je mag niet denken dat deze zelfbeheersing iets puriteins is. Je mag niet denken dat het iets is voor paters en nonnen. Integendeel, zo'n discipline en zo'n controle zijn het teken van echte beschaving. Het zijn tekens van echte opvoeding. Zo'n controle en zo'n zelfbeheersing en het omzetten van je eigen begeerten in de hogere begeerte om anderen gelukkig te maken is de essentie van echte beschaving. Beschaving, opvoeding, cultuur zijn alle gebaseerd op zo'n rationele zelfbeheersing. Het is zo'n zelfbeheersing die het leven levenswaardig maakt. Een gemeenschap is waarlijk rijk en weelderig als ze mannen en vrouwen heeft met zo'n zelfbeheersing. Dit is geen wereldontkennende filosofie. Want vergeet niet, maar onthoud dat je uit deze tijdelijke ontkenning beweegt naar een blijvende staat van vreugde en geluk. Het is geen controle en ontkenning ter wille van de controle en de ontkenning zelf, het is de weg naar het echte geluk. Het doel is dus vreugde, het doel is geluk, het doel is vrede en volmaaktheid. Dit is de weg, dit is Goddelijk Leven.